Hier een hele batterij oefeningen die kunnen toegepast worden.  Alle oefendelen kunnen door elkaar ingeoefend worden, maar tracht wel de chronologie binnen de oefendelen te handhaven.

1/ Basistraining

*      Motivatie : Vooraleer te beginnen, dient men te beslissen wat voor de hond de ultieme motivator is.  Flossie, snoep, bal weggooien, flossie met bal eraan, …  Het is essentieel dat de bal in de flyballbox niet aanzien wordt als motivatie, maar wel als middel om het doel te bereiken.  Zo niet, loop je veel kans dat voor de hond het spel afgelopen is wanneer de bal gevangen wordt. Let wel op dat een tweede tennisbal niet toegelaten wordt tijdens wedstrijden. De motivator moet de ultieme flyballwens zijn voor de hond, en moet qua motivatie boven al de rest uitkomen. Deze motivator noemen we verder M+.

*      Zorg dat je de hond met je mee kan lokken. Zonder bal, enkel met M+, hou de hond bij u in de buurt, en lok de hond achteruit stappend mee. Wanneer je de andere kant uitrent, dient de hond je enthousiast te volgen. Dit is ook een erg belangrijke oefening die je met flyball-pups al van jongsaf dient te spelen.

*      Oproepen : laat iemand je viervoeter vasthouden, en roep de hond op met M+.  Verhoog stelselmatig de afstand tot ongeveer 10 meter.

*      Vooral voor pups en beginnende honden is er een DVD van Springloaded (wereldrecordhouder met 15.22 !) ter beschikking. 

2/ Baltraining

*      Keuze draaizijde : werp een bal weg, wacht tot deze stil ligt en laat de bal apporteren. Voer dit minstens een drietal keer uit, en zorg dat er bij de bal zo min mogelijk afleiding is (bijv. niet iemand die langs één kant komt staan). De zijde langs waar de hond draait, is de voorkeurszijde waar de bal zal komen. Bij twijfel kiest dan voor uurwijzerszin, want dit komt het meeste voor en is het meest praktische voor de training.

*      Werp een bal naar je hond toe en zorg dat hij deze in één hap vangt en goed vasthoudt. Telkens hij goed vangt, onmiddellijk goed belonen, maar dat geldt natuurlijk voor alle oefeningen.

*      Werp de bal schuin, in een straal van ± 30 cm rond het hoofd van de hond. Begin van op een afstand van ± 2m, en verklein systematisch deze afstand.

*      Zelfde oefening, maar zonder belonen bij vangst. Na vangst van de bal, loop enkele meters weg, waarbij de hond moet volgen met de bal in de muil. Wanneer de hond bij je komt, uitbundig belonen met M+.  Hierna deze afstand systematisch verhogen tot 10m. Eerst hou je oogcontact zodat je kunt controleren dat de bal niet losgelaten wordt, na verloop loop je echt weg om de snelheid op te drijven.  Let wel, als de bal te vroeg losgelaten wordt, géén M+ !

*      Hierna kan de bal weggeworpen worden, de hond mag achter de bal aangaan, en zo gauw deze de bal heeft, loop je zo vlug mogelijk in de andere richting met M+.  De hond dient zo vlug mogelijk tot bij je te komen, met de bal vast.  Tracht het enthousiasme in de beloning in verhouding te brengen tot de snelheid waaraan de hond terugkomt.

3/ Kegeltraining

*      Om de hond van begin af aan te laten wennen om het lichaam te draaien starten we eerst met het lopen rond een kegel, of een andere duidelijke markering.  We beginnen in een ruime boog (± 5m links van S4 tot ± 5m rechts van S4 indien rechts gedraaid wordt) en bouwen dit op om vanaf S4 te vertrekken en aan te komen.  Hiermee starten we aangelijnd en we wandelen mee. 

*      Corrigeer aanvankelijk de hond met de lijn om zo kort mogelijk achter de kegel te draaien. Eventueel zetten we de kegel dicht bij een muur, of in een hoek. Geef na het beëindigen ook steeds M+. Koppel hier reeds een commando aan het manoeuvre, bijvoorbeeld ‘kegel’.

*      Hierna wordt de hond los opgestuurd rond de kegel.

*      Gaat dit goed, loop je weer snel weg in de andere richting, zo gauw de hond aan de kegel komt.

*      Hou M+ steeds klaar, en beloon weer enthousiast volgens de snelheid van uitvoeren.

*      Eventueel kan een bal gelegd worden vlak achter de kegel, waarmee een combinatie van de bal –en kegeltraining gemaakt wordt.

4/ Dummybox of shoot

*      Een shoot kan gemaakt worden volgens de plannen, beschikbaar op www.flyballdogs.com .  Deze is idealiter zo groot dat een grote hond met de vier poten op de dummybox dient te lopen om aan de bovenkant te raken en zich dan op de box kan draaien.   Met dit onderdeel mag je pas starten, wanneer de eerste stadia van de kegeltraining doorlopen zijn.

*      De kegel wordt op ongeveer 25cm voor de box geplaatst, en de kegeltraining wordt uitgevoerd met de shoot in lage stand van ± 30-45°.  Eerst wordt de afstand van de kegel tot de box systematisch verkleind, tot deze vlak tegen de box staat.

*      Tussen de kegel en de shoot gaan we dan een lage drempel zetten, die we eventueel nog in hoogte kunnen verstellen. Bedoeling is dat de hond een sprong dient te maken om op de shoot te belanden. Dit natuurlijk idealiter met vier poten, en met een afstoot vanuit de achterpoten.

*      Daarna wordt de hellingsgraad van de box gradueel verhoogd tot ± 80°. Bedoeling is om op te bouwen zodat onze trouwste vriend, in één sprong met de vier poten landt op de dummybox, en in één beweging terug afstoot op de achterpoten langs de andere zijde van de kegel.

*      Werk steeds met M+ en combineer ook regelmatig met het weglopen in de andere richting. In het begin wordt er geen bal gebruikt.

*      Wanneer de hond zich duidelijk met de achterpoten afduwt van de box om in uw richting te vertrekken, kan een bal voor de eerste keer geïntroduceerd worden. Bevestig deze met velcro hoog genoeg op de shoot, zodat de hond met de vier poten op de shoot moet gaan. Let er goed op dat in eerste instantie de hond duidelijk rond de kegel blijft gaan, en niet rechtstreeks naar de bal. De draaiing met het hele lichaam op de dummybox moet ten allen prijzen behouden blijven. Van zodra de hond de bal neemt, enthousiast roepen, weglopen en vervolgens belonen M+ ALS de hond de bal helemaal mee terugbrengt. Doet hij dit niet, is er waarschijnlijk in de baltraining iets overgeslagen. Alle andere richtlijnen uit de baltraining (2 d & e) blijven natuurlijk ook hier van tel.

*      Vervolgens de plaats van bevestiging systematisch verlagen tot op dezelfde hoogte als de gaten van de flyballbox.

*      Sta in dit stadium, maar eigenlijk ook niet in de andere, géén fouten toe.  Als het misloopt, negeer de fout, géén M+, en zet in stilte een stapje terug.  Loopt het dan terug goed, beloon extra en zet terug een stapje vooruit.  Lukt het nog niet, stapje terug, belonen en ga naar een andere oefening.  Volgende keer bouw je de oefening dan iets langzamer op.  Maar dit geldt natuurlijk niet enkel voor Flyball.

5/ Flyballbox-training

*      We starten zoals bij de dummybox, zonder bal en met kegel voor de box.

*      Eerst wordt er een hulpsprong, en eventueel zijwanden geplaatst, VOOR er met een bal gewerkt wordt.  Hierbij gaan we precies werken als op de shoot, dus met één sprong op de box, rond de kegel en er weer af.   De zijwanden worden indien mogelijk in trechtervorm geplaatst, zodat de hond enkel richting box kan gaan.  Een reservesprong, met een dubbele plank ertussen, kan eventueel ook dienst doen.  Het is nochtans aan te bevelen om langs de zijde van de box een duidelijke afbakening te zetten, om de hond van begin af aan te verplichten kort te draaien.

*      Werkt dit goed, en kan de hond van op ongeveer twee meter zelfstandig, correct rond de kegel op de box en terug, dan wordt er een bal ingestoken.  Vanaf dan is het oefenen geblazen om de bal te leren vangen, zonder de keerpunt-techniek te verwaarlozen.  Vermindert het keerpunt, train terug zonder bal, en zelfs waneer alles perfect verloopt verdient het aanbeveling om soms enkel met kegel te trainen, of toch minstens zonder bal.  Om een goede draaiing te beoordelen, kijk er dan in de eerste plaats naar of er niet te breed gedraaid wordt, en of er met de twee achterpoten krachtig van de box afgezet wordt.  Eens de techniek er is, mogen tussenstapjes op de box ook niet meer getolereerd worden. Eén sprong op de box, en in één beweging er weer af. Telkens landen met de vier poten, en afstoten met de achterpoten.

6/ Sprongtraining

*      Voor het aanleren van de sprongen, werken we altijd volgens het principe van de backward chaining.  Dus eigenlijk starten we met de beloning.  Joepie !

*      Beginnen van vlak achter S1, vervolgens van vlak voor S2, daarna achter S2, vervolgens vlak voor S3, etc.  Let op dat je zeker niet te snel gaat, hooguit 2 à 3 stappen per les, tenzij je er “zeker” van bent dat er geen fouten gemaakt zullen worden. Zo wordt opgebouwd tot uiteindelijk het opsturen van op de box foutloos kan gelopen worden. Altijd zeer goed belonen, en als er naast een sprong gelopen worden, gewoon negeren en stapje terug. Als dit niet te vlug opgevoerd wordt kan elke hond dit perfect leren zonder enige vorm van afrastering of netten. Uiteindelijk kan je toch niet echt verder voordat de boxtraining op een degelijk niveau is, dus probeer hier zeker niet te snel te gaan.

*      De eerste vier sprongen worden altijd zonder bal getraind.  Enkel de beloning op het einde van de rit is er natuurlijk bij, en zorg er zoals steeds voor dat een extra snelle run ook extra beloond wordt.

*      Een andere variatie bij beginnende honden is om naast de baan te lopen met de hond aangelijnd, en zo over de sprongen te laten gaan.  Eventueel kan dit ook zonder leiband gaan.  Dit gaat meestal vlot bij honden die uit agility komen.  Let wel dat dit niet te lang gebeurt, want het is de bedoeling om de hond voor u uit te sturen.

*      De eerste oefening waarbij bal en sprong gecombineerd wordt, is nog zonder box en kan gebeuren vooraleer de boxtraining ver gevorderd is.  Hiervoor werk je met één sprong.  Je houdt de hond achter één sprong, waarbij een helper ongeveer 2m achter de sprong een bal omhoogwerpt, eventueel laat stuiteren en neerlegt.  Uw hond dient over de ene sprong te springen, de bal te apporteren en terug te keren over de sprong.   Blijf zelf vlak achter de sprong staan en lok de hond over de sprong naar u toe.  Let er zeker op dat de bal niet valt.  U kunt vervolgens de afstand stilaan opbouwen tot 5m, en dit verder opbouwen tot twee sprongen.  Eventueel kunt u verder gaan tot vier sprongen, hoewel dit weinig zin heeft, zonder flyballbox.  Afhankelijk hoever u staat met de boxtraining, kan deze oefening natuurlijk perfect gecombineerd worden met 4 e – i van de dummytraining, of in een later stadium ook met de flyballbox-training.

*      Een alternatief in backward chaining is om hier de box toch al mee te nemen, met of zonder bal.  Hierbij start van voor S4, naar box en terug over S4.  Vervolgens S3 – S4 – box – S4 – S3, etc.

7/ Wedstrijdtraining

*      De wedstrijdtraining begint natuurlijk met het vervolmaken van alle bovenstaande onderdelen, alles in elkaar te laten vloeien tot een feilloos parcours, mét swimmersturn, een hoge snelheid en bekrachtiging met M+.  Eens de hond in normale omstandigheden volledig baanvast is, start men met afwijkende omstandigheden en wissels.  Alhoewel wissels sporadisch tijdens de sprongtraining zeker al geïntroduceerd kunnen worden.

*      Wissels

*      Vooraleer we beginnen met wisselen, dient men er rekening mee te houden dat twee honden die met elkaar moeten wisselen, ook naast elkaar moeten kunnen staan zonder in elkaars haren te gaan.  Daarom is het aan te raden om honden in hetzelfde team ook samen te laten spelen (onder toezicht).  Honden die niet samen los op het terrein kunnen lopen, laat je natuurlijk ook niet van elkaar wisselen.

*      Bij het aanvangen van de sprongtraining beginnen we reeds om over de hindernissen te lopen, wat dan al sporadisch gecombineerd kan worden met per twee in tegengestelde richting te lopen.

*      Aanvankelijk zetten we de sprongen dubbel, en laten we de honden aangelijnd naast elkaar in tegengestelde richting lopen.  Dit kan aangelijnd met verschillende honden tegelijk gebeuren.  Hierbij bouwen we geleidelijk de breedte van de sprongen af tot één sprong.  Bedoeling is om de honden te laten wennen dat ze niet alleen op het parcours lopen.

*      Om de wissels werkelijk te trainen, laten we de honden na elkaar lopen, en beginnen met de volgende hond los te laten als de vorige terug voorbij de startlijn is.  Ik zou op dit punt steeds starten met het loslaten vanop 7m.   Het moment van loslaten wordt dan stelselmatig vervroegd, maar pas op om dit niet te vlug te doen.   Er dienen minstens vijf lessen over te gaan vanaf de eerste wissels tot in de buurt van scherpe wissels getraind wordt.  Anders loopt u de kans dat uw hond een schrik oploopt.  Eerst gaan we loslaten als de vorige boven de laatste sprong hangt, dan wanneer er geland wordt tussen S2 en S1 en zo verder tot de landing met de voorpoten halfweg parcours (tussen S3 en S2 = 6.4 m van startlijn).  Dit punt houden we best vast om steeds te lossen en van daaruit kunnen we dan afhankelijk van wie we overnemen, onze afstand gaan aanpassen.

*      Opsturen van zijkant :

*      Vermits het niet evident is dat de hond de bal telkens in één keer vangt, kan het gebeuren dat deze een heel eind uit de baan neerkomt.  De hond dient dan ook vanuit andere ooghoeken, steeds terug te keren naar S4.

*      Daarom wordt het opsturen niet enkel van de box gedaan, maar tot twee meter naast de box.  Aanvankelijk staat de handler diagonaal en houdt oogcontact, achteraf komt de handler steeds dichter naar het midden toe.

*      Eventueel kan er ook getraind worden om de hond van tussen andere sprongen zijdelings terug tot in de baan te sturen.

*      Omgevallen sprongen :

*      Een sprong kan steeds omver gelopen worden door een voorganger.  De achtervolgende honden dienen dan deze hindernis te nemen alsof de sprong nog recht stond.  Om dit te trainen, leggen we af en toe in het parcours een sprong omver en wordt er zo verder getraind.  Hou natuurlijk steeds in de eerste plaats de veiligheid in de gaten.

*      De spronghoogte :

*      Deze wordt bepaald door de afgeronde schofthoogte van de kleinste hond in het team, min 10 cm.  Natuurlijk dient men er rekening mee te houden dat niet elk team steeds in dezelfde vorm springt, en dus niet altijd dezelfde spronghoogte heeft.  Daarom dient er geregeld op verschillende hoogtes getraind te worden. 

*      Vooral bij grote honden merken we dat ze bij te lage spronghoogte in draf over de sprongen lopen, in plaats van in rotatiegalop te springen.  Dit is natuurlijk ten nadele van de snelheid.  Dit kan opgevangen worden door een verbetering van de motivatie, of door de spronghoogte tijdelijk extra hoog te zetten.

*      Gedurende lange tijd op training hoger springen dan op wedstrijd zal anderszijds ontegensprekelijk ervoor zorgen dat op wedstrijd te hoog gesprongen zal worden.  Dit natuurlijk ten nadele van de snelheid.   Idealiter springt men steeds op wedstrijdhoogte, maar zoals gezegd kan deze niet altijd gegarandeerd worden.

*      Afstand tussen sprongen :

*      Deze bedraagt officieel 10 feet (3.05 m).  Het is van essentieel belang dat snelle honden tussen elke horde slechts één stap zetten en m.a.w. in één galopsprong tot over de volgende horde gaan.

*      Veel zien we dat honden tussen een bepaalde sprong een tussensprong maken.  Dit veelal op de terugweg bij S4 – S3, maar dit kan bij elke sprong voorkomen.

*      Om dit te voorkomen kunnen we in het begin van de trainingsperiode de horden dichter bij elkaar zetten.  We opteren er wél voor om alle horden steeds op dezelfde afstand te zetten van elkaar.  Daarom starten we bij beginnende honden met sprongen op slechts 2.5 m afstand van elkaar, hetgeen we achteraf stelselmatig opdrijven.  Indien een hond een tussensprong neemt, nemen we best even een stapje terug.   Ideaal worden de honden van begin af aan gewoon om in één sprong van het ene vak naar het andere te springen.

*      Let wel : Om optimale snelheid te trainen, en dit vooral in wedstrijdperiode, dienen de honden op automatisme te kunnen lopen.  Hiervoor dienen de sprongen dan weer steeds op dezelfde afstand te blijven, en kunnen we best tussen wedstrijden door niet op verschillende afstanden springen.

*      Ideaal starten we in het begin van het seizoen (bijv. januari) met afstanden op 2.5m en verhogen we de afstand met 15cm per periode.   Als we bijvoorbeeld in januari starten, en 15cm per maand verhogen, zijn we begin mei aan onze wedstrijdafstand.

 

Trainingsleer

 

In een handleiding voor sportinstructeurs, hoort natuurlijk ook een onderdeel trainingsleer.  Hierbij een summiere samenvatting van enkele belangrijke basisprincipes van de sport, en hoe we die eventueel kunnen implementeren in de flyball.

TRAININGSPRINCIPES

1/ Supercompensatie

Een principe dat in de trainingsleer wordt gebruikt is dat het menselijke lichaam zich verzet tegen verstoring van de homeostase. Door middel van training wordt het lichaam als het ware op de proef gesteld. De temperatuur loopt op, spieren verzuren, er wordt veel koolzuurgas geproduceerd, enz. Wanneer dat gebeurt zal na herstel het lichaam zich gaan instellen op deze verstoringen. Dit instellen of aanpassen zijn eigenlijk de trainingseffecten. Het verschijnsel dat het prestatievermogen na volledig herstel van een trainingsbelasting tijdelijk op een hoger niveau komt te liggen wordt supercompensatie genoemd.

Het is hierbij in de trainingsplanning van essentieel belang dat de volgende trainingsprikkel gegeven wordt in vak III van bovenstaand diagram. Komt deze prikkel frequent tijdens periode II, raakt men uiteindelijk overtraind.  Komt de prikkel na III dan is het trainingseffect van de eerste prikkel verdwenen en had men even goed niet kunnen trainen.

2/ Specificiteit

Een erg belangrijk trainingsprincipe is dat een aanpassing op fysiologisch vlak slechts doelmatig is wanneer voldoende specifiek getraind wordt.   Met andere woorden, trainen op een andere discipline heeft geen rechtstreeks positieve invloed op de specifieke discipline.  Bijvoorbeeld, een loper zal zijn loopprestatie niet specifiek zien verbeteren door te gaan roeien.  Dit wil NIET zeggen dat het geen enkele zin heeft om diverse activiteiten te trainen. We denken aan afwisseling, blessurepreventie, vergroten van algemene vaardigheden, enz.  Maar dit heeft géén rechtstreeks verband tot de verbetering van de prestatie.

3/ Principe van verminderde meeropbrengst

Kort uitgelegd gaat het erom dat men bij training aanvankelijk met rasse schreden vooruitgang maakt, maar hoe hoger het niveau van conditie wordt, hoe meer inspanning men moet leveren om steeds kleinere winst te boeken.

4/ Individualiteit

Elk individu reageert verschillend op een prikkel. Hoewel vele basisprincipes een goede richtlijn vormen tot training, moet men elke hond individueel evalueren. Het is niet omdat programma A optimaal was voor hond A, dat dit ook zo is voor hond B.

5/ Overload

Het overloadprincipe stelt dat een training zwaar genoeg moet zijn en alleen effect heeft als er voldoende verstoring van de homeostase heeft plaatsgevonden.

6/ Continuïteit & Progressiviteit

Om te voorkomen dat je prestatieniveau terugvalt dienen alle belangrijke componenten regelmatig bijgehouden of zelfs verbeterd te worden.

Als de trainingsprikkel steeds hetzelfde is zal je eerst wat vooruit gaan maar daarna blijf je op een gelijk niveau. Kortom, de belasting dient geleidelijk (progressief) opgeschroefd te worden.

7/ Variatie

‘Verandering van spijs doet eten'. Dit principe heeft betrekking op verschillende aspecten. Allereerst moet er variatie zijn in omvang en intensiteit van je training. Zware en lichte dagen moeten elkaar afwisselen. Ook dient de aandacht afwisselend gelegd te worden op verschillende prestatierelevante eigenschappen. Niet alleen uit fysiologisch oogpunt is afwisseling belangrijk maar vooral uit psychologisch oogpunt.

8/ Cyclische organisatie

Continuïteit en variatie zijn enigszins in strijd met elkaar en vragen om een compromis. Het compromis bestaat uit het cyclisch organiseren van het trainingsproces: het in blokken van meerdere weken afwisselend belasten van de verschillende prestatierelevante eigenschappen (variatie), waarbij ervoor gezorgd wordt dat iedere eigenschap regelmatig aan bod komt (continuïteit).  In de menselijke sport wordt meestal getraind in blokken van een zestal weken, waarin alle trainingsvormen cyclisch terugkomen.

TRAININGSVORMEN

We onderscheiden volgende trainingsvormen die we met de hond kunnen trainen :

1/ TECHNIEKTRAINING

Ongetwijfeld het belangrijkste onderdeel.  Een hond in de beste topconditie kan geen flyball lopen zonder dat hij de techniek optimaal beheerst.  Winst die gehaald wordt uit andere trainingsvormen zal altijd meer moeite kosten, dan winst uit een techniekverbetering. Het is duidelijk dat al het voorgaande dat besproken werd bij de oefenstof, valt onder de techniektraining.  Wanneer men de techniek tot in de perfectie beheerst, kan men natuurlijk enkel nog maar winst halen uit andere trainingsvormen.  Let er nochtans wel op dat eens de techniek verworven is, deze ook nog onderhouden wordt.

Zuivere techniektraining vraagt theoretisch weinig fysische belasting.  Wanneer we nochtans als techniektraining bijvoorbeeld wissels trainen, moeten we ook rekening houden met de fysische vereisten en mogelijke vermoeidheid.

Idealiter, trainen we alle techniekvormen eerst zo veel mogelijk in uitgeruste vorm, omdat het lichaam van de hond zich beter adapteert aan techniek wanneer er geen verzuring is opgetreden.  Wanneer de techniek correct uitgevoerd wordt, dienen we dit eveneens in te oefenen in vermoeide toestand.  Zo niet lopen we het reële risico dat de techniek naarmate de wedstrijd vordert steeds slechter zal worden.  Wanneer we dit trainen houden we er wél rekening mee dat we de techniektraining combineren met een anaërobe trainingsvorm.

2/ UITHOUDINGSTRAINING

Uithoudingstraining zijn die trainingsvormen waarbij de hond (en meestal ook de geleider) gedurende langere tijd actief is.  Alhoewel een goede uithouding niet rechtstreeks bijdraagt om een snelle flyball-run te lopen (principe van specificiteit) is deze trainingsvorm wel essentieel om een conditionele basis te leggen :

a)     Hoe groter de uithoudingsbasis van de hond, hoe vlugger deze recupereert van een anaërobe inspanning (supercompensatie).  Dit impliceert zowel dat de volgende trainingsprikkel vlugger gegeven kan worden, waardoor het anaërobe trainingsniveau verder kan evolueren, maar dit impliceert ook dat de hond vlugger zal recuperen van de inspanningen tussen de verschillende heats.

b)    Het is al ontelbare malen aangetoond dat een lichaam dat in uitstekende aërobe conditie is, veel beter bestand is tegen blessures.

c)     Er is geen volledige duidelijkheid op wetenschappelijk gebied, maar elke trainer heeft in zijn ervaring wel ergens een anekdote waarin enkel extensief getraind werd, maar toch een effectieve verbetering van de sprintsnelheid gemerkt wordt.

We onderscheiden :

a)     Extensieve uithoudingstraining : Minder dan 65% van maximale intensiteit.  We denken hier vooral aan rustige wandelingen.  Een hond die vrij meewandelt, of op z’n eentje rondkuiert, zonder externe verstoring, zal vrijwel steeds in deze zone “trainen”.  Let wel dat er bij de hond op deze intensiteit pas sprake is van enige trainingsadaptatie wanneer de hond minstens één uur zonder ophouden actief is.

b)    Gemiddelde uithoudingstraining : Tussen 65 – 80% van de maximale intensiteit.  Een stevig jogtempo voor de actieve geleiders is hier ideaal.  Voor de minder sportieve geleider is het even efficiënt om aan een rustig tempo te fietsen.   Een andere mogelijkheid om aan gemiddelde uithouding te trainen is om in een extensieve wandeling regelmatig korte versnellingen in te bouwen.  Let hierbij op dat de hond niet overdreven begint te hijgen (afhankelijk van omgevingstemperatuur) want het is essentieel dat hierbij géén verzuring optreedt.   Dus een rustige wandeling waarbij u bijvoorbeeld één keer om de vijf minuten de bal weggooit, kunnen we hieronder catalogeren.

c)     Intensieve uithoudingstraining : Tussen 80 – 90% van de maximale intensiteit.  Het gaat hier om een training die de hond aan zo constant mogelijke snelheid kan volhouden gedurende ongeveer 20 minuten.  Belangrijk hierbij is dat de hond in draf blijft, en niet overgaat in enige vorm van galop.   Stel dat u ondervindt dat uw hond aan een tempo van ongeveer 16km per uur na 20 minuten vermoeid is, verhoog dan de snelheid niet maar tracht de tijdsduur op te drijven.  Je zult ondervinden dat dit erg vlug verbetert, op voorwaarde je tussen de intensieve trainingen niet minder dan 2 dagen en niet meer dan 5 dagen tussenlaat.   Wanneer je de tijdsduur systematisch verhoogt hebt tot 1 uur, kan je eventueel stilaan de snelheid nog gaan verhogen.  Met de fiets en snelheidsmeter is dit de ultieme manier om de uithouding van uw hond tot een optimaal peil te brengen.

OPGELET : De algemene conditie van mens en hond kunnen we ons voorstellen in pyramidevorm, waarbij de meest extensieve vormen de basis zijn, en naarmate de vormen intensiever worden, ze hoger in de pyramide voorkomen.  Dit impliceert dat men veel meer extensieve training moet aanreiken dan intensieve, anders komt het evenwicht van de pyramide in gevaar.  En hoe breder de basis, hoe hoger de sporttempel uiteindelijk zal kunnen reiken.   Een ideale trainingspyramide ziet er ongeveer als volgt uit :

 

 

 

5%

SPRINT & WEERSTAND

 

 

 

10%

INTENSIEVE UITHOUDING

 

 

 

25%

GEMIDDELDE UITHOUDING

 

 

 

60%

EXTENSIEVE UITHOUDING

Dit wil zeggen dat als je een kwartier per week met je hond op snelheid traint (sneller dan uithoudingstempo) je minstens een half uur intensief uithouding traint, 1.5 uur gemiddeld intensief traint, en je minimaal 4 uur per week met de hond extensieve trainingen doet.  Let op, een half uurtje buiten aangelijnd wandelen kan je zoals gezegd NIET meetellen in de extensieve training.   En twee halfuurtjes maken in dit geval niet één uur.

3/ WEERSTAND –en SNELHEIDSTRAINING

Hierbij moeten we een onderscheid maken in de verschillende energieleveringen.

1/ De snelste energieleverancier is de splitsing van ATP.  De hoeveelheid ATP in de spier is voldoende om een zestal seconden maximale arbeid te leveren.

2/ Wanneer het ATP in de spier opgebruikt is, wordt dit opnieuw aangevuld via fosforilatie van creatinefosfaat (ADP + CP = ATP).  De hoeveelheid CP in de spier is voldoende om maximale arbeid te leveren tot ongeveer 15 seconden.

3/ Wanneer zowel de ATP als CP opgebruikt is, kan enkel nog via anaërobe glycolyse energie vrijgemaakt worden.  Dit kan 40 tot 45 seconden volgehouden worden.  Belangrijk te onthouden hierin is dat er nog geen zuurstof gebruikt wordt (anaëroob) en dat er als afbraakproduct melkzuur gevormd wordt.

4/ De anaërobe glycolyse kan theoretisch zo lang energie maken als er glucose is, maar praktisch zal de opstapeling van melkzuur (verzuring) ervoor zorgen dat we op een andere energielevering moeten overstappen.  Deze wordt dan de aërobe energielevering, waarbij we dan terug in de uithouding vallen.  Hierbij wordt vanuit koolhydraten met behulp van zuurstof terug energie vrijgemaakt.

Nu is het perfect aannemelijk dat bij Flyball waar de honden amper 5 seconden presteren, alle energie wordt vrijgemaakt via ATP en CP aanwezig in de spieren.  In de sport is het een gekend fenomeen dat deze processen slechts miniem trainbaar zijn.  Zowel de uithouding als de anaërobe glycolyse (via lactaatproductie en lactaattolerantie) zijn erg goed vatbaar voor trainingsprikkels, maar dit kan niet gezegd worden voor de ATP & CP splitsing.  Deze is hoofdzakelijk afhankelijk van volgende factoren :

1/ erfelijke aanleg

2/ elastische kracht

3/ vermogen (kracht x snelheid)

Krachttraining is als vanouds een erg discussieerbaar euvel, en zorgt steeds voor conflicten binnen de respectievelijke basisprincipes van de trainingsleer.  Zo is bewezen dat de omzetting van kracht naar een sportspecifieke discipline enkel gebeurt wanneer de beweging zo specifiek mogelijk getraind wordt.  Om het vermogen optimaal te kunnen trainen, dient op een zo hoog mogelijke snelheid getraind worden.  De discussie sprintassisted versus sprintresisted training is hierbij eveneens aan de orde.  Volgens de recentste studies in de atletiek is sprintresisted training (bijv. omhooglopen) eerder nadelig voor de trainingsadaptatie omdat de beweging te zeer benadeeld wordt.  Aangeraden wordt om eerder aan hogere snelheid (bijv. naar beneden lopen) te trainen, maar hierbij stelt het blessuregevaar zich weer sterk.  Zelfde verhaal bij de plyometrische krachttraining, waar hoewel bewezen is dat deze vorm van krachttraining zeer veel adaptatie geeft, het gevaar voor blessures te groot is om dit consequent toe te passen.

Kunnen we concluderen dat de allerbeste vorm van krachttraining voor flyball, het normale parcours trainen is en dat we hierbij eventueel extra sprongen kunnen plaatsen om overload te krijgen.  Bergop trainen, of in mulzand, kan eventueel toegepast worden, maar we dienen er rekening mee te houden dat het niet bewezen is dat dit een grotere trainingsadaptatie te weeg brengt.  Natuurlijk als variatie kan dit wel zijn positieve invloed hebben.  Kort voor een wedstrijd trainen op een ander parcours lijkt zeker ook af te raden.

Ten slotte wil ik nog opmerken dat de aangehaalde theorie afkomstig is uit de trainingsleer en biologie voor menselijke training.  Exacte gegevens voor training van dieren ken ik (nog) niet, maar ik vermoed sterk dat de basisideeën toch hetzelfde zullen blijven.

Veel plezier !

Edwin